Fragment · uit hoofdstuk 1

Help! Iedereen heeft het over AI

Mijn vader is tachtig en wil graag iets met AI.

Ik had hem aan de telefoon, op de speaker — die staat bij hem standaard aan, met het toestel ergens op tafel tussen de krant en de afstandsbediening.

“Ik wil je iets vragen over die Chat PGBD,” zei hij.

Op de achtergrond hoorde ik mijn moeder. “Het is geen Chat PGBD,” riep ze, met de stelligheid van iemand die het beter weet. “Het heet ChatGTP.”

“Dat zeg ik toch,” zei mijn vader.

“Nee. Jij zegt PGBD. Het is GTP.”

En toen waren ze me even kwijt. Ze vergaten dat ik er ook was. Twee mensen van in de tachtig die elkaar over en weer verbeterden over een naam die geen van beiden goed had. Ik snap het; wie heeft in godsnaam bedacht dat ChatGPT een lekker bekkende naam is. Daar was in ieder geval geen afdeling marketing bij betrokken. Ik hing aan de andere kant van de lijn en luisterde naar mijn eigen ouders zoals je naar twee kinderen luistert die ruziën over wie het spel verkeerd uitlegt. Liefdevol, een beetje ongemakkelijk, en niet te stoppen door er iets tussen te roepen.

Dus zei ik maar niks. Het is ChatGPT, dacht ik, jullie hebben het allebei mis.

Maar dat leek me op dat moment niet het belangrijkste.

Want hoe verkeerd hij de naam ook had, mijn vader deed iets wat bij nieuwe technologie best zeldzaam is: hij stelde een vraag zonder zich eerst groot te maken.

Halverwege het gesprek kwamen ze vanzelf weer terug bij mij. Mijn vader schraapte zijn keel, alsof die naam er eigenlijk niet zoveel toe deed, en stelde de vraag waar dit hele boek over gaat.

“Maar wat moet ik er dan mee?”

Dat is geen domme vraag. Het is precies de goede. Niet: hoe werkt het technisch. Niet: welk model is het beste. Niet: hoeveel parameters heeft het. Maar gewoon: wat moet ík ermee?

Mijn vader kan die vraag rustig stellen. Misschien helpt het dat hij tachtig is en niets meer hoeft te bewijzen. Belangrijker is dat hij niet doet alsof. Voor veel mensen ligt dat lastiger. Zij komen AI niet tegen als rustige nieuwsgierigheid, maar via iemand anders: een collega, een kind, een borrelman, een baas. En dan klinkt dezelfde vraag ineens als een bekentenis.

Op de borrel klinkt het anders

De borrel was de verjaardag van een vriendin, in zo'n zaaltje net buiten Amsterdam waar je alleen komt als iemand anders heeft gereserveerd. Te warm, te weinig stoelen, te veel mensen die met een glas witte wijn deden alsof ze elkaar nog herkenden van vroeger. Er gingen schalen rond met bitterballen en kaassoufflés, en omdat de muziek net niet zacht genoeg stond, praatte iedereen iets harder dan nodig.

Ik stond bij een statafel met een half glas wijn en een servetje dat na één bitterbal al doorzichtig werd. Naast me stond iemand die ik vaag kende — niet goed genoeg om zijn kinderen bij naam te kennen, wel goed genoeg om te weten dat hij altijd net iets te snel vertelt hoe goed het met hem gaat.

“Gebruik jij AI al veel?” vroeg hij.

Niet: gebruik jij AI. Maar: gebruik jij AI al veel. Alsof het antwoord eigenlijk alleen maar ja kon zijn.

Ik zei iets vaags. “Af en toe. Voor werk. Teksten, sparren.”

Hij knikte, maar niet luisterend — meer als iemand die wacht tot hij zelf weer verder mag. “Ik gebruik het inmiddels voor alles,” zei hij. Hij pakte een bitterbal van de schaal die langskwam, blies er niet op, nam toch een hap, verbrandde zichtbaar zijn mond en praatte gewoon door.

“Mails, strategie, voorbereiding van meetings. Vorige week had ik een rapport nodig. Normaal ben ik daar een dag mee bezig; nu had ik binnen twintig minuten een eerste versie. Daarna heb ik AI gevraagd om het te challengen, en er zelf alleen nog even doorheen gelopen.”

Dat “alleen nog even” zei hij met de bescheidenheid van iemand die juist wil laten merken hoe efficiënt hij is.

De man naast ons zei: “Wauw.”

Er verschoof iets aan de statafel. De man met de verbrande bitterbal klonk ineens alsof hij al ergens was waar de rest van ons nog naartoe moest.

“Eerlijk,” zei hij, “als je hier nu niet mee begint, loop je straks echt achter.”

Ik glimlachte. Dat is wat je doet op borrels. Je glimlacht.

Maar ondertussen dacht ik: kut. Loop ik achter?

Ik geloofde hem niet eens helemaal. Een rapport binnen twintig minuten is iets wat je op een borrel zegt, niet iets wat iemand naderhand nameet. En toch maakte ik in mijn hoofd al een rekensommetje: wat gebruik ík eigenlijk, en is dat genoeg? Ik nam me voor om die avond thuis stiekem tóch even iets te proberen. Niet omdat hij gelijk had, maar omdat hij me het gevoel had gegeven dat ik iets miste. Van hém nog wel. Mijn eigen “af en toe, voor werk” was trouwens ook niet helemaal eerlijk geweest. Het klonk alleen luchtiger dan ik me voelde.

Dat is het verschil. Mijn vader vraagt zich hardop af wat hij ermee moet. Ik durfde het niet eens te vragen. Ik deed liever alsof ik het antwoord al had.

Het ongemak zit niet in de techniek

AI is niet verwarrend omdat het ingewikkeld is.

Veel dingen zijn ingewikkeld. Hypotheekrente, de schoolapp van je kind, de afstandsbediening in een vakantiehuis — daar raak je niet existentieel van in de war. Bij AI gebeurt iets anders. Het raakt aan status, aan slim zijn, aan de vraag of jij nog een beetje snapt waar de wereld heen beweegt.

Zegt iemand dat hij een handige parkeerapp heeft gevonden, dan denk je hooguit: fijn voor jou, misschien download ik die ook eens. Maar zegt iemand dat hij met AI in twintig minuten doet waar jij een dag voor nodig hebt, dan vraag je je niet alleen af welke tool hij gebruikt. Dan vraag je je af wat het over jóu zegt. Of je traag bent. Of je iets mist.

Daar begint het gedoe. Niet bij de technologie, maar bij het gevoel dat ontstaat zodra iemand anders lijkt voor te lopen. Je hoort het zelfs aan één woord. “ChatGPT vooral,” zei de man later op de avond tegen iemand anders, “maar soms Claude. En voor werk natuurlijk Copilot.” Dat “natuurlijk” is het hele trucje: het schuift hem ongemerkt naar de kant van de mensen voor wie dit al gewoon is.

Vraag je of het wel veilig is met bedrijfsinformatie, dan zegt hij: “Ja, daar moet je natuurlijk goed mee omgaan.” Wat meestal betekent: ik zeg nu iets verstandigs, maar ik ga het niet concreet maken.

Geen nieuwe app, maar een nieuwe situatie

Er wordt over AI gepraat alsof het vooral een technisch onderwerp is — alsof je eerst moet begrijpen wat een taalmodel is, of een algoritme, of tokens. Dat kan allemaal interessant zijn. Later misschien. Voor de meeste mensen begint AI niet technisch, maar sociaal: met een collega die vraagt of je al met Copilot werkt, of met je kind dat zegt dat AI zijn werkstuk heeft gemaakt.

Dat is waarom AI anders voelt dan de software die eraan voorafging. Excel vroeg nooit of je achterliep. Word deed niet alsof het slimmer was dan jij. Google gaf je links en liet je zelf zoeken. AI doet iets anders: het geeft antwoord, het schrijft terug, het denkt mee — of doet in elk geval alsof. En zodra iets terugpraat, wordt het persoonlijker. Dan gaat het niet meer over knoppen, maar over vertrouwen, over controle, over wie het snapt, wie durft te vragen en wie doet alsof.

AI is daarom niet zomaar een nieuwe technologie. Het is een nieuwe sociale situatie.

Jij zit ertussenin

Het blijft niet bij de borrel. Het komt ook op je werk binnen: iemand zegt dat “we hier iets mee moeten”, en iedereen knikt — al bedoelt niemand hetzelfde. En thuis levert je kind van elf een werkstuk in dat net iets te keurig klinkt, en zegt zonder een spoor van schuldgevoel: “AI heeft geholpen.” Het komt overal tegelijk binnen, en steeds staat er iemand naar jou te kijken alsof jij inmiddels weet wat je ervan vindt.

Dat is de plek waar veel mensen zich nu bevinden. Je kinderen gebruiken AI alsof het er altijd al was. Je ouders vragen wat de naam ook alweer is. Op je werk hoor je dat jullie “iets met AI” moeten. En op borrels staat iemand te vertellen dat hij zijn hele workflow al heeft omgegooid.

Jij zit ertussenin. Niet jong genoeg om AI vanzelfsprekend te vinden, niet oud genoeg om te denken: dit duurt mijn tijd wel, en niet rustig genoeg om te zeggen: ik zie later wel. Want het komt nú al langs, of je er klaar voor bent of niet. AI voelt daardoor niet als iets waar je op een vrije zondag eens rustig een mening over vormt. Het voelt alsof die mening al van je gevraagd wordt terwijl je nog zoekt waar de aan-knop zit.

En onder die borrelgêne zit, zeker als je werkt, een stillere vraag. Niet alleen: loop ik achter op een feestje? Maar: kom ik straks nog mee in mijn eigen werk? Dat is de vraag die echt knaagt, en het is geen domme vraag.

Daarom begint dit boek niet bij de techniek en ook niet bij de mensen die er het hardst over praten. Het begint hier: in dat ongemakkelijke midden, tussen nieuwsgierigheid en weerstand, tussen willen bijblijven en geen zin hebben om mee te rennen, tussen doen alsof je het snapt en hardop durven vragen wat mijn vader zonder schaamte vroeg.

Wat moet ik er eigenlijk mee?

Zo begint Help! Moet ik iets met AI? — het boek van Linda Beute over relevant blijven zonder mee te rennen. Schrijf je in en hoor als eerste wanneer het verschijnt.